Bij ijzertekort wordt vaak snel gedacht aan een ijzersupplement. Maar welke vorm kies je eigenlijk? Ferrofumaraat is in Nederland de standaard, terwijl ijzerbisglycinaat mogelijk beter wordt verdragen. Ook de timing van inname, de dosering en eventuele bijwerkingen spelen een belangrijke rol.
In dit artikel lees je wat we weten over verschillende vormen van ijzersuppletie, hoe goed ze worden opgenomen en wanneer een ijzerinfuus in beeld komt. Ook bespreken we waarom meer ijzer niet automatisch beter is en welk minder bekend risico kan optreden bij bepaalde infusen.
Ferrofumaraat is in Nederland de gebruikelijke eerste keuze bij ijzergebreksanemie. Het is goedkoop, effectief en uitgebreid onderzocht. Een tablet van 200 mg ferrofumaraat bevat 65 mg elementair ijzer.
Het belangrijkste nadeel zijn maag-darmklachten. Obstipatie, misselijkheid, buikpijn en soms diarree kunnen de therapietrouw verminderen.
Pluspunten: bewezen werkzaam, voorspelbare dosis, goedkoop.
Minpunten: relatief vaak maag-darmklachten.
Bij ferro-bisglycinaat is ijzer gekoppeld aan glycine. Deze vorm lijkt vooral interessant omdat bij relatief lage doses minder maag-darmklachten worden gerapporteerd.
Een meta-analyse van 17 gerandomiseerde studies vond bij zwangere vrouwen minder gastro-intestinale bijwerkingen en een gunstig effect op het Hb ten opzichte van andere ijzersupplementen. Voor niet-zwangere volwassenen is het bewijs aanzienlijk beperkter.
Een recente vergelijking bij zwangere vrouwen vond eveneens minder maag-darmklachten bij 25 mg bisglycinaat dan bij hogere doses ferrofumaraat of ferrosulfaat.
Dat maakt bisglycinaat een interessante optie bij slechte verdraagbaarheid, maar het bewijs is nog onvoldoende om te stellen dat het voor iedereen beter werkt dan klassieke ijzerzouten.
Pluspunten: vaak goed verdragen, mogelijk effectief bij lagere doses.
Minpunten: minder uitgebreid onderzocht en geen standaard eerste keus in de Nederlandse richtlijnen.
Orale ijzerzouten worden het beste opgenomen op een lege maag. Het Farmacotherapeutisch Kompas adviseert ferrofumaraat bij voorkeur 's ochtends nuchter in te nemen.
Koffie, thee en melkproducten verminderen de opname. Voor ferrofumaraat luidt het Nederlandse advies om deze vanaf vier uur vóór tot twee uur ná de inname te vermijden.
Ook calcium-, magnesium- en zinksupplementen en verschillende geneesmiddelen kunnen de opname beïnvloeden.
Vitamine C kan de chemische opname van ijzer bevorderen. Daarom adviseert het Farmacotherapeutisch Kompas inname met vitamine-C-houdende voeding of drank. Een apart vitamine-C-supplement is echter niet noodzakelijk gebleken: in een gerandomiseerde studie herstelden Hb en ferritine even goed met orale ijzertherapie mét als zonder toegevoegd vitamine C.
Krijg je nuchter maag-darmklachten? Dan kan ijzer tijdens of na een maaltijd worden ingenomen. De opname is mogelijk minder, maar een behandelvorm die je kunt volhouden is uiteindelijk waardevoller dan een theoretisch ideaal schema waarmee je stopt.
Na inname van een dosis ijzer stijgt het hormoon hepcidine. Dit hormoon remt tijdelijk de opname van nieuw ijzer uit de darm.
Dat is een van de redenen waarom meerdere hoge doses per dag tegenwoordig minder vanzelfsprekend zijn. Lagere of minder frequente doseringen kunnen in bepaalde situaties een goede balans geven tussen opname en bijwerkingen.
Het exacte schema hangt af van de ernst van het tekort, aanwezigheid van bloedarmoede, bloedverlies, gebruikte ijzervorm en individuele verdraagbaarheid.
Intraveneus ijzer kan zinvol zijn wanneer orale behandeling onvoldoende werkt of niet wordt verdragen, bij slechte opname vanuit de darm of wanneer de ijzervoorraad snel moet worden aangevuld.
Maar ook hier geldt: een infuus is niet automatisch ‘beter’ omdat het sneller werkt.
Vooral bij ferric carboxymaltose kan hypofosfatemie ontstaan: een te laag fosfaatgehalte in het bloed.
Dat gebeurt via een stijging van het hormoon FGF23. Hierdoor gaan de nieren meer fosfaat uitscheiden, daalt actief vitamine D en kan uiteindelijk een verstoring van de botmineralisatie ontstaan.
De klachten zijn verraderlijk, omdat ze deels lijken op de oorspronkelijke ijzertekortklachten: vermoeidheid, spierzwakte en spier- of botpijn.
Bij langdurige of herhaalde hypofosfatemie kan osteomalacie ontstaan, waarbij bot onvoldoende mineraliseert. In ernstige gevallen kunnen fracturen optreden. De EMA startte daarom in september 2026 een nieuwe veiligheidsbeoordeling van injecteerbare ijzerpreparaten.
Niet ieder infuus geeft hetzelfde risico. In twee gerandomiseerde studies ontstond hypofosfatemie volgens de gebruikte laboratoriumgrens bij ongeveer 74–75% van de deelnemers die ferric carboxymaltose kregen, tegenover ongeveer 8% bij ferric derisomaltose.
Dat betekent niet dat driekwart van de gebruikers ernstige klachten of botproblemen krijgt: veel gevallen zijn tijdelijk en alleen biochemisch aantoonbaar. Het verschil tussen preparaten is echter groot genoeg om bij de keuze van een infuus rekening mee te houden.
